Ruiterbrevetten

RuiterBrevet A : WandelBrevet

Minimum leeftijd: 11 jaar

Theoretisch gedeelte:

De ruiter kent:

  • de belangrijkste uitwendige delen van het paard 
  • de gangmaten van het paard 
  • verschillende hoefslagfiguren

De ruiter kent de hulpgeving voor:

  • het rijden met contact 
  • het aanrijden in stap 
  • het maken van overgangen 
  • de overgang van stap naar draf en terug 
  • de overgang van stap naar halthouden 
  • De ruiter kent de verkeersreglementen en voorschriften ivm ruiter en verkeer (harnachement van het paard en uitrusting van de ruiter). Hij kent ook de voorschriften voor een respectvol gedrag in en tegenover de natuur. De ruiter is bekwaam om, al dan niet onder begeleiding (naargelang de leeftijd) op een veilige manier een buitenrit te maken. 
Praktijkgedeelte: 

De ruiter haalt zelfstandig eenpaard, bindt het vast en poetst het. De ruiter rijdt te paard en kan volgende opdrachten in een kleine groep behoorlijk uitvoeren: 

  • enkele hoefslagfiguren rijden in stap en draf 
  • lichtrijden en van been veranderen 
  • in een wending aangalopperen 
  • op de lijn A-C een overgang maken naar de galop en weten in welke galop het paard loopt (blijkt bij de volgende wending) 
  • een overgang maken van galop achtereenvolgends naar de draf, de stap en halthouden 
  • enkele sprongen uitvoeren over een hindernis van minimaal 60 cm - maximaal 70 cm hoogte (eventueel vanuit de draf). Voor pony's zijn deze hoogtes als volgt:

    B-pony's (tot 1.27 cm) : minimaal 40 cm - maximaal 50 cm
    C-pony's (tot 1.37 cm) : minimaal 50 cm - maximaal 60 cm
    D-pony's (tot 1.48 cm) : minimaal 60 cm - maximaal 70 cm

  • De ruiter zadelt en toomt zelfstandig het paard af en doet de naverzorging.

Proeven en examen: 

Theoritische proef 

  • Schriftelijk 

    De jury stelt vragen over de verkeersreglementen en voorschriften voor ruiter en paard bij het betreden van de openbare weg en vragen over de overige leerstof. De schriftelijke proef wordt (indien mogelijk) door de jury ter plaatse verbeterd en gequoteerd. De schriftelijke proef kan in overleg met de jury (die de vragen opstelt) vooraf gebeuren. De examenpapieren worden dan op de examendag aan de jury voorgelegd. De jury heeft hierbij mondeling toetsrecht.

  • Mondeling 

    De jury oordeelt na het verbeteren van he schriftelijk examen of er een bijkomende mondelinge proef noodzakelijk is (enkel als de kandidaat onvoldoende heeft op de schrifelijke proef). De beoordeling van deze proef kan eventuele tekorten bij de schriftelijke proef aanvullen. 

De praktische proef 

De jury heeft het recht elk onderdeel van de eindtermen te toetsen. Hij is hiertoe echter niet verplicht (bv. alle ruiters moeten niet het paard poetsen, vastbinden, enz.) Hij moet echter zorgvuldig nagaan of elke ruiter voldoende zelfstandig met het paard kan omgaan. Er mogen meerder ruiters gelijktijdig de praktische proef afleggen. De jury mag hierbij instructies geven (enkel in overeenstemming met de eindtermen). De jury let er op dat elke ruiter voldoende bekwaam is om een paard te berijden en te besturen en niet constant aan de groep te kleven. De jury geeft voor de dressuurpraktijk een globale beoordeling. 

Het springen gebeurt als tweede onderdeel van de praktische proef. Ook hier is de belangrijkste opdracht van de jury te controleren of de ruiter bekwaam is een kleine hindernis op een veilige manier te nemen. Voor deze springpraktijk geeft de jury een globale beoordeling. Voor het quoteren let men hier vooral op de veilige uitvoering (vooral veilig voor de ruiter). 


Dressuur: 
   
Opstijgen, afstijgen /5
Hoefslagfiguren in stap en in draf  /10
  In stap: S van hand veranderen, volte halve baan
  In draf: middellijn, diagonaal, cirkel 20m diameter
Lichtrijden en van been veranderen /10
Doorzitten (maximaal één hoefslag) /10
Overgang naar galop + bevragen /10
De ruiter moet weten in welke galop het paard zich bevindt Zit in galop /20 
Overgang van galop - draf - stap - halt /20 
Gedragingen als ruiter /5 
Verzorging van het paard, onerhoud en zorg materiaal, kledij, omgang,zelfbeheersing, doorzettingsvermogen, algemene presentatie  
   
Totaal Punten Dressuur /90 
  /30 
   
Springen:  
   
Een sprong vanuit draf /10 
Twee sprongen vanuit galop /10 
De beoordeling van de springproef omvat de verlichte zit (tijdens de rit, op de sprong) en de overgangen (laag naar hoog en hoog naar laag)  
   
 Totaal Punten Springen /20 

De deliberatie en proclamatie

Enkel de jury oordeelt over he wel of niet slagen van de kandidaten. Het resultaat wordt ingevuld op de verzamelstaat en door de juryleden ondertekend als bevestiging. Wie op alle onderdelen minstens 50% behaalt, slaagt. 

Enkel de globaaluitslag wordt geproclameerd. De niet geslaagde kandidaten kunnen enkel vernemen of ze voor het herexamen eventueel vrijstellingen hebben (onderdelen waarop minstens 60% behaald wordt geven recht op vrijstellingen, indien in totaal meer dan 50% wordt behaald). 

Vrijstellingen kunnen alleen wanneer het examen bij dezelfde examinator afgelegd wordt, of indien een attest kan voorgelegd worden. Zoniet dient het volledige examen opnieuw gedaan te worden. 


Ruiterbrevet B: Sportief brevet 

Minimum leeftijd: 12 jaar en in het bezit van een Ruiterbrevet A 1. 

Theoretisch gedeelte: 

De ruiter kent : 

  • de belangrijkste inwendige delen van het paard 
  • het belang van de zintuigen van het paard 
  • bijkomende onderdelen in de uitrusting van een paard 
  • de hoefslagfiguren 
  • de verschillende onderdelen van een spring 
  • verschillende hindernissen 
  • de belangrijkste reglementeringsbepalingen van een barema A 

De ruiter kent de hulpgeving voor: 

  • het in de hand stellen van een paard 
  • het aanspringen in galop 
  • het springen 

De ruiter kent de betekenis van het bandageren, de hoefverzorging en het toiletteren 


Praktijkgedeelte: 

De ruiter rijdt individueel op een behoorlijke wijze (minstens 5/10 als globale beoordeling) de opgelegde dressuurproef. De ruiter springt in een behoorlijke stijl een parcours van minstens 4 hindernissen, waarbij één steilsprong en minsten één breedte-hoogtesprong (de hoogte is minimaal 80 cm en maximaal 90cm. De breedte is maximaal 90cm). Voor de ponyruiters gelden aangepaste afstanden en hoogtes, afhankelijk van de stokmaat. B C D 

Min.hoogte 50 60 70 

Max.hoogte 60 70 80 

Max.breedte 80 90 90 


Proeven en examen: 

De theoretische proef 

  • Schriftelijk 

    De jury stelt vragen uit de rubriek theorie van de eindtermen (vragen over algemene kennis, over de hulpgeving en over de verzorging en harnachement).. De schriftelijke proef wordt (indien mogelijk) door de jury ter plaatse verbeterd en gequoteerd. De schriftelijke proef kan in overleg met de jury ( die de vragen opstelt) vooraf gebeuren. De examenpapieren worden dan op de examendag aan de jury voorgelegd. De jury heeft hierbij mondeling toetsrecht. 

  • Mondeling

    De jury oordeelt na het verbeteren van het schriftelijk examen of er een bijkomende mondelinge proef noodzakelijk is (enkel als de kandidaat onvoldoende heeft op de schriftelijke proef). De beoordeling van deze proef kan eventuele tekorten bij de schriftelijke proef aanvullen. 

De praktische proef 


De ruiters rijden individueel de opgelegde dressuurproef. De jury moet hierop een globaalbeoordeling geven. Het is wenselijk dat de jury per onderdeel aantekeningen maakt of quotaties noteert (nuttig voor achteraf). De proef is geen dressuurwedstrijd. 

De jury oordeelt hier vanuit twee standpunten : 

  • is deze ruiter bekwaam om deel te nemen ( is iets ander dan winnen ) aan een wedstrijd 
  • is deze ruiter voldoende op niveau om toegelaten te worden tot de cursus Initiator of basiscursus 2 

De ruiters springen individueel een omloop. De jury oordeelt hier vanuit dezelfde standpunten als voor de dressuurproef. Er worden geen strafpunten gegeven. De jury geeft een globaalbeoordeling voor het aanrijden, het springen (uit de mond en uit de rug) en het opvangen na de sprong. 


Dressuur:
   
A Binnenkomen in arbeidsdraf
ts X en G  Halthouden en groeten

Voorwaarts in arbeidsdraf
C Rechterhand
B Cirkel 20m diameter
K-X-M Van hand veranderen
E Cirkel 20m diameter
ts E en K  Middenstap
bij A Halthouden, 4 sec. stilstaan
  Voorwaarts in middenstap
F Arbeidsdraf
ts M en C Arbeidsgalop links aanspringen
E Cirkel 20m diameter
ts K en A  Arbeidsdraf 
B Van hand veranderen door een S
ts H en C Arbeidsgalop rechts aanspringen
B Cirkel 20m diameter
ts B en F Arbeidsdraf
A Afwenden
ts X en G Halthouden en groeten

De deliberatie en proclamatie 

Enkel de jury oordeelt over het wel of niet slagen van de kandidaten. Het resultaat wordt ingevuld op de verzamelstaat en door de juryleden ondertekend als bevestiging. Wie op alle onderdelen minstens 50% behaalt, slaagt. 

Enkel de globaaluitslag wordt geproclameerd. De niet geslaagde kandidaten kunnen enkel vernemen of ze voor het herexamen eventueel vrijstellingen hebben (onderdelen waarop minstens 60% behaald wordt geven recht op vrijstellingen, indien in totaal meer dan 50% wordt behaald). 

Vrijstellingen kunnen alleen wanneer het examen bij dezelfde examinator afgelegd wordt, of indien een attest kan voorgelegd worden. Zoniet dient het volledige examen opnieuw gedaan te worden.